Altijd en overal toegang tot een schat aan informatie.

Vergroot de fiscale kennis binnen uw gemeente

Actueel


Btw-herziening gemeentelijk vastgoed toch mogelijk - HvJ Gmina Ryjewo

Gemeenten die een investeringsgoed (i.c. een dorpshuis) in gebruik nemen als niet-ondernemer (verhuur “om niet”) en deze nadien als ondernemer gaan gebruiken kunnen toch herzienings-btw claimen, zo heeft het HvJ geoordeeld in de zaak van de Poolse gemeente Ryjewo. Het moet dan wel gaan om investeringsgoederen die naar hun aard voor belaste of niet-belaste doeleinden kunnen worden gebruikt, zoals gebouwen. Voor zuivere overheidsgoederen geldt de mogelijkheid tot herziening dus niet. Dit is een baanbrekende uitkomst voor de Nederlandse praktijk, waarin altijd werd verondersteld dat herziening in een dergelijk geval niet mogelijk is.
[Lees verder...]

Update ontwikkelingen btw en sport - compensatieregelingen voor gemeentes en amateursportorganisaties gepubliceerd

De regeling voor subsidiëring van gemeentelijke uitgaven sport en de subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties voor sportverenigingen en sportstichtingen (hierna: amateursportorganisaties) zijn afgelopen vrijdag gepubliceerd. De komst van deze regelingen was aangekondigd in de meicirculaire en houdt verband met de btw-last waarmee gemeenten en sportverenigingen en - stichtingen vanaf 2019 geconfronteerd worden, doordat de sportvrijstelling wordt gewijzigd.
[Lees verder...]

Technische storing vorige nieuwsbrief

In de nieuwsbrief die in de ochtend van 24 juli is verzonden zat helaas een technische fout. Daardoor kwamen lezers van de nieuwsbrief die het nieuwsbericht over de compensatieregelingen btw en sport wilden lezen niet op het fiscaal portaal gemeenten terecht. Met dit nieuwsbericht en de nieuwe nieuwsbrief hebben we dit hersteld. Excuses voor het eventuele ongemak.
[Lees verder...]

Vanaf 2020 wordt de inburgering van nieuwkomers weer een gemeentelijke taak

Minister Koolhaas van Integratie heeft in de kamerbrief hoofdlijnen veranderopgave inburgering aangegeven dat het huidige inburgeringsbeleid niet aan de verwachtingen voldoet. Om deze reden streeft de Minister er naar om gemeenten vanaf 2020 de taak te geven om de inburgering van nieuwkomers te facilitairen.
[Lees verder...]

Welkom


Het PwC Fiscaal Portaal Gemeenten omvat een uitgebreide databank met informatie op het gebied van zowel de btw, het BTW-compensatiefonds, vennootschapsbelasting en loonheffingen. Het PwC Fiscaal Portaal Gemeenten is specifiek gericht op fiscale zaken die spelen bij publiekrechtelijke lichamen. Met het PwC Fiscaal Portaal Gemeenten bent u dan ook altijd op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op fiscaal gebied.

Naast de omvangrijke databank treft u vele praktijkvoorbeelden, voorbeeldbrieven en digitale tools aan waardoor u en/of uw medewerkers tijd kan besparen bij het beantwoorden van fiscale vragen. Daarnaast vergroot u de fiscale bewustwording binnen uw organisatie waardoor fiscale aspecten eerder worden gesignaleerd. Tevens kan het PwC Fiscaal Portaal Gemeenten dienen als educatiemiddel.

Met één abonnement kunnen tien medewerkers van de gemeente tegen een scherp geprijsd tarief gebruikmaken van het PwC Fiscaal Portaal Gemeenten. Mocht u geïnteresseerd zijn in het PwC Fiscaal Portaal Gemeenten dan kunnen wij uw organisatie vrijblijvend informeren over de mogelijkheden en de inhoud van het PwC Fiscaal Portaal Gemeenten: Contact.

Uitgelicht


Btw-herziening gemeentelijk vastgoed toch mogelijk - HvJ Gmina Ryjewo

Gemeenten die een investeringsgoed (i.c. een dorpshuis) in gebruik nemen als niet-ondernemer (verhuur “om niet”) en deze nadien als ondernemer gaan gebruiken kunnen toch herzienings-btw claimen, zo heeft het HvJ geoordeeld in de zaak van de Poolse gemeente Ryjewo. Het moet dan wel gaan om investeringsgoederen die naar hun aard voor belaste of niet-belaste doeleinden kunnen worden gebruikt, zoals gebouwen. Voor zuivere overheidsgoederen geldt de mogelijkheid tot herziening dus niet. Dit is een baanbrekende uitkomst voor de Nederlandse praktijk, waarin altijd werd verondersteld dat herziening in een dergelijk geval niet mogelijk is.Casus De Poolse gemeente Ryjewo heeft in 2009 en 2010 een dorpshuis laten bouwen en heeft aan haar toeleveranciers btw betaald. Na oplevering van het dorpshuis was de gemeente voornemens het dorpshuis (1) om niet over te dragen aan het bestuur van het gemeentelijke cultureel centrum, (2) het dorpshuis rechtstreeks te gaan besturen, en (3) het zowel om niet te bestemmen voor gemeenschapsdoeleinden als onder bezwarende titel te verhuren voor commerciële doeleinden. De inkoop-btw op de bouw is door de gemeente niet verrekend via de btw-aangifte. Dit omdat het dorpshuis initieel “om niet” werd verhuurd. Vier jaar nadat de bouw van het dorpshuis was voltooid en in gebruik is genomen, is de gemeente Ryjewo het dorpshuis btw-belast gaan verhuren. Het dorpshuis bevond zich nog in de btw-herzieningstermijn. Hierdoor wilde de gemeente een deel van de inkoop-btw op de bouw alsnog verrekenen. De Poolse belastingdienst weigerde dit. De gemeente Ryjewo startte een procedure. In deze procedure heeft de Poolse rechter vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. Ten behoeve van de behandeling door de Europese rechter heeft de Advocaat-Generaal (‘A-G’) het advies gegeven om te oordelen dat herziening in de onderhavige situatie onder voorwaarden mogelijk is. Advocaat-Generaal: alsnog btw-verrekening Advocaat-Generaal Kokott concludeerde dat de gemeente alsnog recht heeft op verrekening van de inkoop-btw op de bouw via de btw-aangifte. Dit recht om de btw te verrekenen bestaat volgens de Advocaat-Generaal ook als het investeringsgoed aanvankelijk wordt gebruikt voor doeleinden die niet aan de btw-heffing zijn onderworpen (zoals verhuur “om niet”), maar de aard van het gebruik van het investeringsgoed later wordt gewijzigd en het voortaan ook voor belastbare handelingen als ondernemer wordt gebruikt (btw-belaste verhuur tegen vergoeding). HvJ: Nalaten etikettering staat herziening btw investeringsgoed niet in de weg Het Hof van Justitie neemt het advies van de Advocaat-Generaal over. Zij komt tot de conclusie dat een gemeente recht op herziening van de inkoop-btw op de bouw als: deze zaak bij de verwerving ervan naar zijn aard zowel voor belaste als voor niet-belaste handelingen kon worden gebruikt maar in eerste instantie voor niet-belaste handelingen is gebruikt (in casu een dorpshuis), en de gemeente niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij van plan was om dat investeringsgoed te bestemmen voor een belaste handeling (verhuur), maar ook niet heeft uitgesloten dat het daarvoor zou worden gebruikt. Het Hof van Justitie komt tot dit oordeel omdat de gemeente bij de verwerving/bouw van het dorpshuis niet ‘als overheid’ heeft gehandeld. Uit de feiten blijkt dat de gemeente eerder heeft gehandeld als een particulier die een gebouw wil laten optrekken. Doordat de gemeente niet ‘als overheid’ handelde werd zij voor deze aanschaf ook niet als een niet-belastingplichtige entiteit beschouwd. De gemeente was ten tijde van de aanschaf al wel als belastingplichtige geregistreerd. Anders dan in eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie wordt in deze zaak pas geruime tijd later na de verwerving van het pand duidelijk dat de intentie van de gemeente ook verhuur voor commerciële doeleinden zou zijn geweest. Het ontbreken van expliciet voornemen tot economisch gebruik op het moment van verwerving sluit namelijk niet uit dat impliciet wel degelijk sprake was van een dergelijk voornemen, aldus het Europese Hof. Het feitelijke gebruik doet niet af aan het bestaan van een impliciete intentie tot belaste gebruik gedurende de herzieningsperiode. Dat het pand aanvankelijk, als dorpshuis, geheel is aangewend voor niet-ondernemers gebruik is voor het recht op eventuele latere herziening van de inkoop-btw op de bouw van ondergeschikt belang. Het feitelijke gebruik bepaalt natuurlijk wel de tijdvakken en de omvang van de te terug te vorderen herzienings-btw binnen de herzieningstermijn. Een pand kan naar zijn aard immers zowel voor belaste als niet-belaste handelingen worden gebruikt, onmiddellijk gebruik voor belaste handelingen is daarbij niet vereist. Wat betekent dit voor u? Als gemeenten een investeringsgoed niet als ondernemer in gebruik nemen en deze nadien - binnen de herzieningstermijn - voor btw-belaste ondernemersactiviteiten gaan aanwenden kan alsnog een deel van de investerings-btw via de btw-aangifte verrekenen. Hiervoor moet: 1) de gemeente bij aanschaf al btw-ondernemer zijn; en 2) het investeringsgoed naar de aard ook voor ondernemersactiviteiten gebruikt kunnen worden. Aan het gestelde in het eerste punt zal veelal worden voldaan. Dit is ook het geval voor het gestelde in het tweede punt. Slechts voor die goederen waarvoor een gebruik als ondernemer niet denkbaar is, zal een later gebruik als ondernemer niet leiden tot herziening van de inkoop-btw. Het gaat hierbij om de ‘zuivere’ overheidsgoederen. Hierbij valt te denken aan in gebruik genomen verkeersborden, verkeersregel-installaties, huishoudelijke afvalcontainers, etc. Als een gemeente een investeringsgoed in gebruik neemt buiten het kader van de onderneming en hierdoor de inkoop-btw compenseert via het BTW-compensatiefonds (‘BCF’), zal een later gebruik van het goed als ondernemer kunnen leiden tot de verplichting om een deel van de gecompenseerde btw via het BCF weer terug te betalen (als het goed zich nog in de herzieninstermijn bevindt). Deze last kan – onder voorwaarden – dan weer worden goed gemaakt doordat de via de btw-aangifte terug te betalen btw weer kan worden verhaald via de btw-aangifte. Op deze wijze werkt het systeem neutraal. Bron: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62017CJ0140&from=EN

Btw op re-integratietrajecten & outplacement: 100% compensatie (Gerechtshof Den Haag)

Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat de btw op re-integratietrajecten volledig compensabel is. Deze uitspraak bevestigt het oordeel van de rechtbank Den Haag. Ook al heeft een individu baat bij een re-intagratietraject, het is de gemeente die de ingekochte trajecten zelf verbruikt ter vervulling van haar wettelijke taak. Daardoor is de uitsluiting van het recht op compensatie niet aan de orde. In tegenstelling tot de Rechtbank oordeelt het Hof dat ook de btw op outplacementkosten voor een wethouder compensabel is. De gemeente wordt in het gelijk gesteld.  Belanghebbende, de gemeente Barendrecht, heeft kosten gemaakt voor re-integratiewerkzaamheden voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (re-integratiekosten). Verder heeft zij kosten gemaakt voor een loopbaanbegeleidingstraject van een wethouder (outplacementkosten). De btw op deze kosten heeft zij gecompenseerd. Volgens de Belastingdienst is de btw (deels) uitgesloten van compensatie, omdat sprake is van een "verstrekking aan een individuele derde" (art. 4.1.a, BCF). Het Gerechtshof stelt de gemeente in het gelijk. De uitsluiting van compensatie is niet aan de orde. De btw op de re-integratiekosten en de btw op de outplacementkosten is terecht volledig gecompenseerd.  Het Gerechtshof volgt hierin het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de btw op de re-integratiekosten. Ten aanzien van de btw op de outplacementkosten oordeelde de rechtbank eerder dat deze btw niet compensabel is, maar het Gerechtshof oordeelt nu dat ook deze btw geheel voor compensatie in aanmerking komt. Btw op re-integratiekostenUit de feiten van de uitspraak leiden wij af dat de gemeente Barendrecht op basis van het model “Haaglanden” een extra bijdrage uit het BCF heeft geclaimd. Dit voor de jaren 2007 t/m 2013. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen en lijkt daarmee het standpunt te hebben ingenomen dat het model “Haaglanden” (deels) niet van toepassing is. De Rechtbank geeft aan dat de re-integratietrajecten voortvloeien uit een op de gemeente rustende wettelijke verplichting. De diensten voor een re-integratietraject worden door de gemeente afgenomen met als doel de omvang van de uitkeringen te verlagen. Hiermee is de volledige bevolking van de gemeente, en dus het collectief, gediend. Dat een individu (degene die wordt gere-integreerd) baat heeft leidt er niet toe dat het niet de gemeente is die de diensten afneemt. Het Gerechtshof volgt dit oordeel van de Rechtbank. Btw op outplacementkosten In tegenstelling tot de Rechtbank vindt het Gerechtshof dat ook de btw op de outplacementkosten compensabel is. De gemeente heeft dit outplacementtraject ingekocht en het is haar verantwoordelijkheid als bestuursorgaan om voor de outplacement te zorgen. Dat het outplacementtraject resulteert in het sneller vinden van een nieuwe baan door de wethouder betekent niet dat compensatie is uitgesloten. Van een terbeschikkingstelling aan een individuele derde is geen sprake.   Belang voor de praktijk De uitspraak is naar onze mening interessant omdat de Rechtbank met haar motivering aangeeft dat zij van mening is dat álle btw die toerekenbaar is aan een re-integratietraject in aanmerking komt voor een bijdrage uit het BCF. Dus niet alleen de btw die in geschil was, maar ook de niet geclaimde btw. De Rechtbank en het Gerechtshof geven aan dat de re-integratietrajecten voortvloeien uit een op de gemeente rustende wettelijke verplichting. De diensten voor een re-integratietraject worden door de gemeente afgenomen met als doel de omvang van de uitkeringen te verlagen. Hiermee is de volledige bevolking van de gemeente, en dus het collectief, gediend. Dat een individu (degene die wordt gere-integreerd) baat heeft leidt er niet toe dat het niet de gemeente is die de diensten afneemt. De uitspraak is ruimer dan het beleid dat de Belastingdienst altijd heeft gehanteerd en door vele gemeenten is gevolgd. Dit betekent dat ten onrechte niet alle btw op re-integratietrajecten is gecompenseerd uit het BCF. Voor de periode 2013 t/m 2017 kan deze btw nog aanvullend worden gecompenseerd. Dit op basis van PwC’s gouden euro-theorie (zie ook ons nieuwsbericht van 14 december 2017) dan wel het indienen van bezwaar. Hierna zullen wij toelichten op welke wijze om een aanvullende bijdrage uit het BCF kan worden verzocht. PwC's gouden euro-theorie Een gemeente heeft de mogelijkheid om uiterlijk 5 jaren na het betreffende kalenderjaar te verzoeken om een nieuwe beschikking BCF uit te reiken. Tegen deze nieuwe beschikking staat bezwaar en beroep open. Een nieuwe beschikking kan aangevraagd worden als blijkt dat in een bepaald jaar te weinig of te veel btw is geclaimd uit het BCF. Wij raden aan om in het verzoek om een nieuwe beschikking, naast de niet geclaimde btw op re-integratietrajecten, in ieder geval één Euro mee te nemen waarvan zeker is dat deze ten onrechte (niet) bij het BCF is geclaimd. Voor deze “gouden euro” moet de inspecteur een nieuwe beschikking uitreiken waartegen bezwaar en beroep openstaat. Naast deze zekere Euro kan verzocht worden om een aanvullende bijdrage uit het BCF voor niet geclaimde btw op re-integratietrajecten. Als de inspecteur het aanvullende verzoek voor de btw op re-integratietrajecten afwijst moet hij namelijk wel een nieuwe beschikking uitreiken voor de zekere Euro. Tegen deze nieuwe beschikking kan bezwaar en beroep worden ingesteld waarmee de aanvullende teruggaaf voor de btw op re-integratietrajecten kan worden geclaimd. De uitspraak kunt u vinden via deze link: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:1474&showbutton=true&keyword=ECLI%3aNL%3aGHDHA%3a2018%3a1474 Model “Haaglanden” In het model “Haaglanden” wordt het re-integratietraject door de Belastingdienst in 7 fasen verdeeld. Per fase wordt bepaald of de daaraan toerekenbare btw in aanmerking komt voor een bijdrage uit het BCF. Het model is als volgt weer te geven: Fase 0: Inhuurpersonen              à Volledig compensabel Fase 1: Werkgeverschapskosten à Volledig compensabel Fase 2: Intake en diagnose à Volledig compensabel Fase 3: Aanbodversterking à 20% compensabel Fase 4: Bemiddeling à 80% compensabel Fase 5: Plaatsing en nazorg à Volledig compensabel Fase 6: Overig/Bonus à de btw wordt verhoudingsgewijs verdeeld over de andere fases, met uitzondering van Fase 0   Vanaf het jaar 2017 is dit model overigens losgelaten door de Belastingdienst en is alle btw op re-integratietrajecten compensabel met uitzondering van de btw op: (Sollicitatie)trainingen Scholing Individuele begeleiding (inclusief coaching). De btw op de toerekenbare kosten op de componenten intake en rapportage met betrekking tot de individuele begeleiding (inclusief coaching) is niet uitgesloten van compensatie Kinderopvang Opleidingen/scholing/Examenkosten (hieronder vallen ook stages die in het kader van dergelijke opleiding worden genoten) Reis- en fietskosten (Sport) abonnementen (Psychologische) therapie  

Compensatieregeling btw voor sport: aanvraag indienen voor 1 december 2018, ook voor gemeenten die tot op heden geen voorbelasting in aftrek hebben gebracht!

Op 3 november 2017 is officieel bekend gemaakt dat de btw-sportvrijstelling wordt gewijzigd. Dit heeft voor gemeenten nadelige gevolgen met betrekking tot de aftrek van voorbelasting btw. Op 31 mei 2018 is in het Meicirculaire Gemeentefonds 2018 bekend gemaakt dat de Rijksoverheid de gemeenten voor dit nadeel zal compenseren via de nieuwe specifieke-uitkering Sport (‘SPUK Sport’).Compensatieregeling De Meicirculaire gemeentefonds 2018 blinkt wat ons betreft niet uit in duidelijkheid. Zo blijkt niet eenduidig welke btw in aanmerking komt voor compensatie. De compensatieregeling staat open voor alle gemeenten. Nadere inhoudelijke informatie inzake de SPUK Sport volgt voor de zomer vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Zodra deze informatie bekend is zullen wij u hiervan op de hoogte brengen. Doordat niet gesproken wordt over een overgangsregeling kan verondersteld worden dat gemeenten te maken krijgen met de btw-herzieningsregels. Een andere optie is dat in de nog bekend te maken informatie alsnog een overgangsregeling bekend wordt gemaakt. Uit de meicirculaire blijkt echter niet duidelijk of de gemeenten gecompenseerd worden voor de btw die op basis van de herzieningsregels terug moet worden betaald. De herzieningsregels houden in dat gemeenten voor sportaccommodaties die zich nog in de herzieningsperiode (negen kalenderjaren na het kalenderjaar van in gebruikname) bevinden een deel van de in aftrek gebrachte voorbelasting terug moeten betalen. In beginsel is dit 1/10e van de voorbelasting die in aftrek is gebracht per jaar dat nog resteert in de herzieningsperiode. Voor roerende zaken, zoals sporttoestellen, geldt een herzieningstermijn van vier kalenderjaren na het kalenderjaar van ingebruikname. Per jaar in de herzieningstermijn dient in beginsel 1/5e van de in aftrek gebrachte voorbelasting terug worden betaald.  De Meicirculaire bepaalt dat de compenstieregeling ziet op kosten met betrekking tot: de bouw; het onderhoud van sportaccommodaties; het beheer van sport; en de aanschaf en het onderhoud van sportmaterialen,  waarbij de kosten moeten opkomen vanaf 1 januari 2019. Om in aanmerking te komen voor de compensatieregeling dienen gemeenten vóór 1 december 2018 een aanvraag in te dienen. Wij adviseren u om bij het voorbereiden van deze aanvraag ook de herzienings-btw in kaart te brengen. Om een juiste aanvraag voor compensatie in te kunnen dienen adviseren wij het stappenplan bij onderdeel 6 van ons thema Sport te doorlopen. Tevens beschikt PwC over een tool waarmee op eenvoudige wijze alle sport gerelateerde kosten uit de btw-administratie geëxtraheerd kunnen worden. Op basis van de begroting en het overzicht van kosten uit voorgaande jaren kan een inschatting gemaakt worden van de kosten die vanaf 1 januari 2019 gemaakt zullen gaan worden ten behoeve van sport en in aanmerking komen voor compensatie. De meicirculaire Gemeentefonds 2018 heeft enkel betrekking op het Gemeentefonds. Dit is de reden dat nog geen mededelingen worden gedaan over het btw-nadeel waarmee sportinstellingen te maken gaan krijgen. Naar wij hebben begrepen zal in juli 2018 hiervoor sportinstellingen een subsidieregeling bekend worden gemaakt. Ook hier geldt dat wij u zullen informeren zodra de Rijksoverheid hier meer over bekend maakt. Huidig beleid In Nederland gold tot 2002 een btw-vrijstelling voor alle sportdiensten van alle niet-commerciële organisaties. Commerciële organisaties moesten over hun sportdiensten naar het normale btw-tarief btw in rekening brengen. Om het sporten te bevorderen heeft de wetgever met ingang van 1 januari 2002 een verlaagd btw-tarief (6%) ingevoerd voor het gelegenheid geven tot sportbeoefening (in of op een sportaccommodatie). Het verlaagde tarief geldt zowel voor commerciële als voor niet-commerciële organisaties. Hiermee hadden deze organisaties wel recht op aftrek van inkoop btw en hoefden zij slechts 6% btw in rekening te brengen aan haar sporters. Sportdiensten die niet-commerciële sportorganisaties (verenigingen) verlenen aan hun leden zijn echter nog altijd vrijgesteld van btw, ook als het de terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie betreft. Ontwikkelingen jurisprudentie omtrent btw en sport Volgens het Ministerie van Financiën is de hiervoor beschreven Nederlandse btw-regelgeving onder druk komen te staan door jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2013 in zaak C-495/12 (Bridport and West Dorset Golf Club) zou de regering dwingen om de Nederlandse btw-regelgeving aan te passen. In het Bridport and West Dorset Golf Club-arrest oordeelde het Hof van Justitie namelijk dat de btw-vrijstelling voor sportdiensten niet alleen geldt voor de diensten van sportorganisaties aan hun leden, maar ook voor diensten aan niet-leden. Het Ministerie van Financiën concludeert op grond van de voormelde jurisprudentie dat de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties door gemeenten (en andere niet-winstbeogende organisaties) ook onder de btw-vrijstelling valt. Voor hen dient het verlaagde btw-tarief voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening volgens Ministerie van Financiën daarom te vervallen. Beleid vanaf 1-1-2019De btw-sportvrijstelling is vanaf 2019 onder meer van toepassing op de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties door organisaties zonder winstoogmerk. Dit heeft als gevolg dat gemeenten en andere organisaties zonder winstoogmerk vanaf 2019 verplicht de vrijstelling moeten toepassen voor het tegen vergoeding ter beschikking stellen van sportaccommodaties. Hierdoor vervalt het recht op vooraftrek van btw die aan gemeenten in rekening is gebracht over de kosten die toerekenbaar zijn aan de ter beschikkingstelling van sportaccommodaties. Zie ook het thema sport: https://fiscaalportaalgemeenten.pwc.nl/theme/1/btw#article2    

Aanvragen heffingsvermindering verhuurderheffing vóór 1 juli 2018 indienen

Verhuurders die in aanmerking kunnen komen voor één of meer heffingsverminderingen in de verhuurderheffing, dienen vóór 1 juli aanstaande de aanvraag voor een voorlopige investeringsverklaring te hebben ingediend. Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken heeft in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat zij van plan is de regeling voor dit jaar per 1 juli 2018 te sluiten. Aanvragen die vóór deze datum al zijn ingediend, worden door de sluiting niet getroffen. Reden hiervoor is dat het beschikbare budget van de regeling verhuurderheffing door de vele aanvragen sneller uitgeput is geraakt dan verwacht. De huidige situatie rond de verhuurderheffing is eigenlijk een verrassing. Bij de evaluatie van de verhuurderheffing over 2016 bleek nog dat sprake was van onderuitputting. Het kabinet heeft daarna de heffingsverminderingen verhuurderheffing aangepast en heeft een nieuwe tijdelijke heffingsvermindering voor nieuwbouw van goedkope huurwoningen ingevoerd. Deze twee aanpassingen waren dermate succesvol dat het budget eerder dan verwacht benut zal zijn.Wat betekent dit voor u? Momenteel bestaan de volgende (tijdelijke) heffingsverminderingen in de verhuurderheffing: Bouw van huurwoningen (tot 2017 uitsluitend in Rotterdam-Zuid, vanaf 2017 voor heel Nederland indien de woning een huur heeft onder de 1e aftoppingsgrens van de huurtoeslag); Verbouw van huurwoningen (uitsluitend Rotterdam-Zuid); Transformatie van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen (heel Nederland); Sloop van huurwoningen (krimpgebieden en Rotterdam-Zuid); en Samevoeging van woningen (krimpgebieden en Rotterdam Zuid). Minister Ollongren geeft in haar brief aan dat de heffingsverminderingen 1 en 3 erg gewild zijn en in de eerste drie maanden van dit jaar veelvuldig zijn aangevraagd. Als uw gemeente voornemens is om gebruik te gaan maken van één of meer heffingsverminderingen, dan dient u ervoor te zorgen dat de aanvraag daartoe vóór 1 juli bij RVO.nl (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) is ingediend. De minister heeft verder nog aangegeven dat - los van de nu aangekondigde (tijdelijke) sluiting per 1 juli - het kabinet gaat bezien of in de toekomst nieuwe heffingsverminderingen via een wetswijziging of heropening van bestaande heffingsverminderingen mogelijk is. Zij wijst daarbij uitdrukkelijk op een nieuwe heffingsvermindering ten behoeve van verduurzaming dat onderdeel uitmaakt van het regeerakkoord van het huidige kabinet Rutte III. Wat dit laatste betreft is nog onbekend hoe de aangekondigde heffingsverminderingen er uit gaan zien en ook of deze terugwerkende kracht hebben.

Wilt u op de hoogte blijven van het laatste binnenlands bestuur nieuws?

Meld u aan voor de nieuwsbrief

Contact


Dieks Boswinkel

088 - 792 16 91

dieks.boswinkel@pwc.com

Jarno Sloot

088 - 792 42 22

jarno.sloot@pwc.com

Nicole Brueker

088 - 792 44 94

nicole.brueker@pwc.com